Interview

SHUTR – Serieportfolio Jeronimus van Pelt

Jeronimus van Pelt – Kijkdoosportretten met een knipoog

Door Patrizia Arena

Jeronimus van Pelt (1970)
Jeronimus van Pelt komt uit een creatief nest. Zijn vader was tekenleraar, zijn moeder fotografeerde. Zeker die laatste heeft grote invloed gehad op zijn carrière. Al van jongs af aan kreeg hij alles wat er voor én achter zijn moeders camera gebeurde mee. Het zaadje was geplant. Na zijn studie aan de Gerrit Rietveld Academie ging Van Pelt aan het werk als vormgever. Een geweldige tijd, maar het fotograferen bleef hem trekken. In 2006 hakte hij de knoop door en ging zich volledig toeleggen op fotografie.

Ogenschijnlijk alledaagse zaken zoals het ochtendritueel van vader en zoon, het nuttigen van een eenzaam drankje in de sociëteit, maar ook de confrontatie met de dood of het innerlijke zelf. Jeronimus van Pelt maakt van zijn werken nét meer dan gewoon een portret. Schuddebolachtige taferelen noemt hij ze zelf. Kleine en grote verhalen om bij weg te dromen: niet gevangen in een glazen bol, maar in een enkele foto.

Zij was (demissionair) minister van Landbouw, hij maakte alleen de foto. Maar dat het zo opgeblazen zou worden? Nee, dat had niemand verwacht. Jeronimus van Pelt laat de Gerda zien, de beruchte glossy die zo’n 3 jaar geleden in de Tweede Kamer behoorlijk wat stof deed opwaaien. Hij verzorgde een gedeelte van de fotografie, waaronder de coverfoto: Gerda Verburg in een stal, met leren jas, handschoenen én zweepje. Blik op oneindig. De vraag rijst: dit moet toch wel ironisch bedoeld zijn? “Dat mag iedereen zelf bepalen, haha. Het is een beeld dat de fantasie prikkelt.”

Andere werelden
En precies dat wil Van Pelt met zijn foto’s bewerkstelligen. De radartjes in je hoofd moeten gaan werken bij het zien van zijn beelden. “Daarom heb ik ook zo’n grote liefde voor decors. Dat kan letterlijk een set zijn, een kijkdoosachtige ruimte waarin je de verschillende elementen kunt aanpassen. Net zo lang tot je ziet wat je wilt zien. Het kan ook een plek zijn waar je op bezoek bent, een andere cultuur of subcultuur. En dan is er nog het decor in je eigen verbeelding, een ruimte waarin je kunt fantaseren.” Die verschillende ‘decors’ brengt hij samen tot een beeld. “Ik denk dan aan zo’n glazen schuddebol, een fantasiewereld waar je in kunt stappen. Het decor is de ruimte waarin ik creëer. Een begrenzing ook. Het zijn allemaal andere werelden dan de mijne, werelden die ik graag bezoek.” Van Pelt lacht. “Eigenlijk zou ik het liefst wonen in een decor.”

De ultieme uiting van die liefde lijkt hij gevonden te hebben in zijn samenwerking met ‘welvaartskunstenaar’ Daan Samson. De meest recente samenwerking resulteerde in de foto ‘Vanitas 2013 – Het nieuwe pronken’. Het duo zette een bijzonder stilleven op, in de historische keuken van het Stedelijk Museum Zwolle. De bescheidenheid van weleer ontmoet de protserigheid van nu: een overdaad aan hippe keukenapparatuur, twee mooie schaars geklede dames er tussen in, op de achtergrond een statig mannetje (Samson) met zijn ‘vangst’. Een vanitas compositie in een modern jasje. De meiden zijn dan ook van Facebook geplukt. “De kruisbestuiving van kunstenaar en fotograaf vind ik fantastisch. Ik breng mijn aandeel in de door hem bedachte wereld. Hij komt met het idee, ik doe de compositie. Ik bepaal dus wat je ziet. Best dapper om dat uit handen te geven, en hetzelfde geldt ook voor mij. Maar het bundelen van talenten levert echt iets op.”

Überrealisme
Een ander soort samenwerking is te zien in ‘Ochtendrituelen’. “Deze foto maakte ik voor een artikel, een ogenschijnlijk simpel portret van vader Samson en zijn zoontje. Het is überrealistisch. Het is echt zijn kind, echt zijn keuken. We doen alsof pap net het brood gesmeerd heeft.  Maar natuurlijk wel flink gestyled. Je begrijpt niet exact waar je nou naar kijkt. Er ontstaat iets nieuws, een nieuwe laag, diepte. Zo speel ik graag met verwachtingen en verlangens van de kijker.” Het alledaagse, met een snufje van het tegenovergestelde, is het mechanisme dat de droomwereld in werking zet.

Humor en ironie speelt daarbij ook bijna altijd een rol. Voor het blad van de Nieuwe of Littéraire Sociëteit de Witte portretteerde Van Pelt een van de leden. “Een historicus. Ik had hier een dierenmetafoor in gedachte. Het konijn dat vanuit zijn hol kijkt, en jij kijkt terug. Een kijkje in zijn natuurlijke omgeving.” Maar dan wel met een biertje, een giga-aansteker en een hoopje gemorste as van de obligate sigaar. “Grappig is dat deze meneer ook cartoonist is. Hij zag dus als geen ander de humor in van dit werk, deed daar graag aan mee.”

“Ik ben eigenlijk slechts een toerist. Een voyeur. Ik stap in een subcultuur. Daarin simuleer ik de normale situatie, laat zien wat ík interessant vind. Ik word natuurlijk gevraagd om een portret te maken, de werkelijkheid vast te leggen. Door deze te vergroten wordt het net iets interessanter.” Een beetje aandikken hoort daarbij, maar zonder het te ver te drijven. “Dat is iets intuïtiefs. De geportretteerde moet er wel in mee willen gaan.”

Rauw
Soms is aandikken ook niet nodig. In het werk ‘Gummie resquiescat in pace’, een portret van zijn zoontje, legt Van Pelt een persoonlijk moment vast. “Zijn hond was doodgebeten door een andere hond. Toen we het beestje gingen begraven, besloot ik de camera te pakken.” Het beeld is sereen, een jongen kijkt recht de camera in, slechts een druppeltje bloed aan de snuit van Gummie verraadt het drama. “Maar het is feitelijk een kind die zijn vader aankijkt. In zulk klein leed zit het leed van de wereld verscholen. Dat is ook hoopvol, dát wilde ik laten zien. Wie weet heeft mijn zoon later nog iets aan dit beeld.”

Het is een stuk introspectie en emotie dat ook terug te zien is in het nieuwste werk van Van Pelt, de serie Howl. Rauwe fotografie, naaktportretten in een duistere, stedelijke setting. “Met Howl ga ik op zoek naar de relatie tussen ‘inner wildness’ en fysieke identiteit. Alle elementen die in mijn andere werken zitten komen erin terug, maar ik sla in dit vrije werk wel een andere weg in. Ik zit een beetje in een overgangsfase. Net als bij Gummie RIP probeer ik de clichés te mijden. Ik denk in grijstinten, figuurlijk gesproken. Andere mensen zouden me een twijfelaar noemen, haha. Ik bekijk alle kanten, zoek nuances. In Howl probeer ik alles los te laten, niet na te denken.” Ja, de serie bestaat uit naaktportretten, maar niet in de klassieke zin. Het is natuurlijk, niet sexy. De modellen kruipen, luisteren, grijnzen. Het oergevoel in de Randstad. Maar dan wel met een kek enkelbandje.